Heet in april

Het is Goede Vrijdag en het is warm. Samen met mijn dochter en één van haar vriendinnen wandelen we van Bergen naar Bergen aan Zee. Wanneer we het dorp uit zijn, lopen we eerst door een bos. We genieten van het frisse groen van enkele net uitgelopen beuken en eiken met de helder blauwe lucht als achtergrond. We krijgen dorst. Dorst zoals in de zomer. Om het water te sparen, nemen we steeds kleine slokjes. Dan krijgen we alle drie een vervreemdend gevoel, alsof er iets niet klopt. We lopen in een bos maar er is geen schaduw. Het is heet en veel bomen zijn nog kaal. Er is geen verkoeling in het bos!

Veerkracht

Het is warm en al weer lang droog. De kapucijners en tuinbonen in mijn moestuin groeien niet. Ik herinner mij de hete, droge zomer van vorig jaar. Het gras werd geel. Veel bloemen gingen niet bloeien, maar trokken zich terug in de koele aarde. Het zag er triest uit. Maar toen het eindelijk begon te regenen, kwam alles weer op alsof het lente was. In augustus zag je weer jonge brandnetels en zevenblad. Ik heb me verwonderd over de kracht. Wat een aanpassingsvermogen! Maar wat deden de dieren? Zij konden zich niet ingraven, zij moesten voor hun jongen zorgen. De egels waren in nood, stond er in de krant omdat zij niet voldoende vocht binnen konden krijgen. Wij zetten schoteltjes water in de tuin. Waar legden de vlinders hun eitjes nu hun waardplanten in retraite waren diep in de grond? Waar haalden de bijen nectar om de winter door te komen? Zullen er dit jaar minder egels, vlinders en bijen zijn?

Pijnlijke onafhankelijkheid

Inmiddels lopen we in de duinen, langs stukjes groen en grijs gevlekte heidevelden. De groene struikjes leven nog. De grijze zijn helemaal verdord. Deze heide kon zich niet zo goed aanpassen en is afgelopen zomer grotendeels verdroogd. Gaat het weer zo’n zomer worden? Ik herinner mij het vele buitenplezier met blije kinderen. Fietstochten, picknicken en zwemmen tijdens de ondergaande zon. De meisjes lopen voor me, hand in hand. “Mam, mogen we straks een ijsje op het strand?” Tja, wat deden de mensen? Zij genoten net als ik van het mooie weer en haalden water uit de kraan. Wij hoeven ons niet aan te passen aan de plotselinge droogte. Daar hebben we een waterleiding voor. Wij hebben ons onafhankelijk gemaakt van het weer. Ik denk aan de woorden van Arie Bos, auteur van het boek ‘Hoe de stof de geest kreeg’. Hij ziet een evolutie waarin de ontwikkeling van authenticiteit een rol speelt. In vergelijking met planten en dieren zijn wij mensen het meest authentiek. Wij ontwikkelen individualiteit en onafhankelijkheid. Wij kunnen ons meer onafhankelijk maken van de omgeving, van elkaar en de geestelijke wereld. Dat is de bedoeling op weg naar vrijheid. Maar deze onafhankelijkheid doet mij ook pijn. Ze voelt eenzaam. Het is net alsof ik geen onderdeel ben van het landschap waarin ik wandel, waarvan ik geniet en waarover ik me zorgen maak. Omdat ik niet deelneem aan de strijd die daar gestreden wordt. De droogte heeft geen impact op mijn dagelijks leven. Ik realiseer me weer eens dat om een authentiek individu te worden, we de vanzelfsprekende verbinding met het geheel verloren zijn. En hoe eng en onecht dat voelt. En dan voel ik de kracht en de liefde om zelf een nieuwe, een authentieke verbinding te scheppen. Ik geniet van de warmte en ik bid voor regen.

Meer blogs lezen van Ilse Beurskens-van den Bosch

Vind hier al onze bloggers